Werkgeversverzoek ontbinding arbeidsovereenkomst door kantonrechter afgewezen.

 

Pre-Mervo levert voederingrediënten voor de diervoederindustrie. Zij richt zich op de binnenlandse en buitenlandse markt.

 

[gedaagde], thans 54 jaar oud, is met ingang van 1 juni 2008 bij Pre-Mervo in dienst getreden. Zij is thans werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd als Medewerker Verkoopbinnendienst, op fulltime basis tegen een bruto maandsalaris van € 2.777,70 inclusief emolumenten.

 

[gedaagde] is begin 2013 gedurende enige tijd arbeidsongeschikt geweest.

 

Bij brief van 19 september 2013 schrijft Pre-Mervo onder meer aan [gedaagde]:

"Zoals gisteren met u besproken bestaat er niet langer draagvlak voor uw functioneren bij ons en het personeel van uw afdeling. Wij hebben regelmatig met u over uw omgang, driftbuien en de 'de storende factor' gesproken. Ondanks de aangegeven handreikingen en begeleiding ten aanzien van uw houding en gedrag blijft verbetering uit en komt dit de werkzaamheden van de afdeling niet ten goede.

Gezien deze ervaringen, hebben wij er geen vertrouwen meer in dat hierin nog verbetering zal komen.

Vanwege dit gebrek aan draagvlak en vertrouwen kunnen wij dan ook niet anders dan beëindiging van de arbeidsovereenkomst met u nastreven. Er is geen andere passende functie voorhanden, die recht doet aan uw kennis, ervaring en vaardigheden.

Wij streven ernaar om de beëindiging in goed overleg en met wederzijds respect gestalte te geven, rekening houdend met de omstandigheden van dit geval.

U bent vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden zodat u zich goed over dit voorstel kan beraden. Wij willen u vragen om uiterlijk volgende week woensdag, 25 september 2013, te laten weten of u bijgevoegde regeling accepteert".

Bij deze brief was een conceptvaststellingsovereenkomst gevoegd, welke inhield dat de arbeidsovereenkomst eindigt per 1 december 2013, dat [gedaagde] vrijgesteld wordt van het verrichten van werkzaamheden, en dat aan haar een beëindigingsvergoeding wordt betaald van € 10.416,38 bruto.

 

[gedaagde] meldt zich per 25 september 2013 ziek met schouderklachten. Zij heeft daarvoor een operatie aan een schouder ondergaan.

 

De bedrijfsarts adviseert op 13 maart 2014 dat [gedaagde] per 17 maart 2014 voor 3 uur per dag "opstart" met werken, en (na haar vakantie) per 21 april 2014 voor 5 uur per dag.


De bedrijfsarts adviseert op 28 april 2014 dat [gedaagde] haar werk niet heeft kunnen opstarten conform de afspraken, omdat zij op non-actief is gesteld en ontslag voor haar is aangevraagd. Het advies blijft: opstarten van de re-integratie, "Aangezien dat nu niet mogelijk is heb ik met haar afgesproken 19-05 (de mondelinge behandeling van het ontbindingsverzoek, kantonrechter) af te wachten". De bedrijfsarts noemt als het verwachte doel: volledige werkhervatting.

In verband met de op non-actiefstelling van [gedaagde] is geen aanvang gemaakt met de re‑integratie van [gedaagde].

 

Het verzoek

 

Pre-Mervo verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van veranderingen in de omstandigheden. Zij voert daartoe samengevat aan dat er geen draagvlak meer is voor het functioneren van [gedaagde], en dat ondanks begeleiding verbetering uitblijft. Om deze reden heeft Pre-Mervo geen vertrouwen in voortzetting van de arbeidsovereenkomst.


De rode draad is de nadrukkelijk dominante aanwezigheid van [gedaagde]. Zij schreeuwt veel, heeft woede-uitbarstingen, praat in zichzelf, alles moet wijken voor wat zij wil, zij kan niet met kritiek omgaan en is intimiderend naar collega's toe. Pre-Mervo verwijst daartoe naar diverse verslagen van beoordelings- en functioneringsgesprekken.


Op 28 december 2012 heeft [gedaagde] zich driftig tegen een collega opgesteld en haar bril naar deze collega gegooid. Bij brief van 4 januari 2013 heeft zij hiervoor een officiële waarschuwing gekregen.


Collega's klagen over de onrust die zij op de afdeling geeft. Klanten klagen over hoe zij door [gedaagde] te woord worden gestaan. [gedaagde] vertoont ontwijkingsgedrag. [gedaagde] is wantrouwend.


Verder voert Pre-Mervo aan dat de ontwikkelingen bij haar in rap tempo toenemen door nieuwe klanten en markten, en dat exportafwikkeling en Engelse communicatie een steeds prominentere rol krijgt. De medewerkers moeten dus multi-inzetbaar zijn. [gedaagde] heeft zich echter steeds gericht op het binnenland en Duitsland, maar elke medewerker dient alle klanten te kunnen bedienen. [gedaagde] is hiervoor niet geschikt: haar samenwerking schiet tekort, evenals de klantvriendelijkheid, kennis van douaneafhandeling en beheersing van de Nederlandse en Engelse taal. [gedaagde] heeft alle kansen gekregen om zich te verbeteren maar deed dat niet. Zij is ook genoeg gewaarschuwd.

 

Volgens Pre-Mervo is de gevraagde ontbinding aan [gedaagde] te verwijten, maar zij wil haar niettemin een ontbindingsvergoeding aanbieden van € 10.416,38 bruto.

 

Beoordeling door de kantonrechter

 

[gedaagde] beroept zich ten eerste op de reflexwerking van het opzegverbod tijdens ziekte. Zij vermoedt dat haar frequente ziekteverzuim de eigenlijke reden is voor het ontbindingsverzoek. De kantonrechter stelt vast dat het frequente ziekteverzuim in diverse beoordelings- en functioneringsverslagen wordt genoemd. Het ontbindingsverzoek zou dus (mede) door dit ziekteverzuim kunnen zijn ingegeven. De kantonrechter zal het beroep van [gedaagde] op de reflexwerking van het opzegverbod daarom in die zin honoreren, dat het ontbindingsverzoek terughoudend zal worden getoetst. Daarbij zal mede een rol spelen dat Pre-Mervo, kennelijk vooruitlopend op de door haar gewenste toewijzing van het ontbindingsverzoek, [gedaagde] op non-actief heeft gesteld. Zolang niet duidelijk is of Pre-Mervo ook rechtens een einde kan maken aan de arbeidsovereenkomst, had het echter op haar weg gelegen [gedaagde] in ieder geval conform het advies van de bedrijfsarts een begin te laten maken met haar re-integratie. Aangenomen moet immers worden dat dit haar herstel bevordert en, indien het ontbindingsverzoek zou worden toegewezen, vergroot dat waarschijnlijk ook haar kansen op de arbeidsmarkt. Een periode van op non-actiefstelling voorafgaand aan beëindiging van de arbeidsovereenkomst zal voor de meeste potentiële nieuwe werkgevers niet als een pré gelden.

 

[gedaagde] heeft ter zitting erkend dat zij zich kan voorstellen dat haar collega's haar gedrag aan de dominante kant vinden. Dit kan volgens haar (inderdaad) te maken hebben met haar Duitse achtergrond. Verder erkent zij dat zij op het werk wel eens heeft geschreeuwd of tegen een collega is uitgevallen. Dat kwam volgens haar omdat het op dat moment ontzettend druk was.

Het hangt naar het oordeel van de kantonrechter van de precieze omstandigheden van het geval af of dergelijk gedrag aan [gedaagde] te verwijten is geweest: wat is er geschreeuwd, ging het om een enkel woord of een hele tirade, tegen wie was dat, wat was de concrete aanleiding, was het inderdaad heel erg druk, enzovoort. Nu Pre-Mervo dit verwijt aan [gedaagde] maakt, had het op haar weg gelegen deze details te verstrekken. Dat heeft zij niet of nauwelijks gedaan. Evenmin is het de kantonrechter duidelijk geworden wanneer dergelijke voorvallen hebben plaatsgevonden. De eerste (en laatste) keer dat schreeuwen in de verslagen wordt genoemd is in het functioneringsverslag van 9 november 2012, dus alweer geruime tijd geleden.

 

Pre-Mervo heeft één concreet incident genoemd, te weten het hiervoor vermelde voorval met de bril op 28 december 2012. Voor het overige heeft Pre-Mervo niet of nauwelijks geconcretiseerd wat er feitelijk is voorgevallen en wanneer dat is gebeurd. Zij heeft ten onrechte volstaan met kwalificaties (dominant, dringend, ontwijkingsgedrag). Nu [gedaagde] (de ernst van) deze gedragingen voor het overige ontkent, is voor de kantonrechter niet toetsbaar of de door Pre-Mervo gebezigde kwalificaties terecht zijn of niet.

 

Pre-Mervo heeft evenmin schriftelijke verklaringen overgelegd van klanten en/of collega's, waarin deze bevestigen dat zij zich storen aan het gedrag van [gedaagde] (en waarin zij aangeven waaruit dat gedrag heeft bestaan).

 

Voorts acht de kantonrechter van belang dat in geen enkel beoordelings- of functioneringsverslag is vermeld dat [gedaagde] in verband met haar gedrag op de werkvloer wat het voortbestaan van de arbeidsovereenkomst in de gevarenzone zit. Nu uit de verslagen tevens is op te maken dat zij voor het overige behoorlijk goed functioneert, had het op de weg van Pre-Mervo gelegen om, als zij het gedrag onaanvaardbaar vindt, aan [gedaagde] een verbetertraject aan te bieden, bijvoorbeeld door coaching en/of het volgen van een communicatietraining of iets dergelijks, en haar te waarschuwen voor het geval haar gedrag niet zou veranderen.

 

Ten slotte neemt de kantonrechter in aanmerking dat Pre-Mervo niet (concreet) heeft gesteld welk onaanvaardbaar gedrag [gedaagde] heeft vertoond in de periode na de waarschuwingsbrief van 4 januari 2013 tot de op non-actiefstelling van 25 september 2013.

 

Op grond van voorgaande omstandigheden en overwegingenis het ontbindingsverzoek niet toewijsbaar.

 

Het verwijt van Pre-Mervo dat [gedaagde] zich onvoldoende heeft ingespannen de Nederlandse taal meer machtig te worden, maakt het voorgaande niet anders. In de gespreksverslagen is onvoldoende duidelijk aangegeven wie ter zake het initiatief zou moeten nemen. Voorts heeft [gedaagde] ter zitting verklaard dat zij haar leidinggevende verzocht heeft om in werktijd een cursus Nederlands te mogen volgen, waarop deze leidinggevende gezegd zou hebben: "dat gaat niet, ik kan jou niet missen". Pre-Mervo heeft op zich erkend dat het geen probleem is om een dergelijke cursus in werktijd te volgen, maar zij geeft aan dat zij met een dergelijk verzoek niet bekend is. De kantonrechter kan aldus niet vaststellen of dit verzoek nu wel of niet gedaan is.

 

De stelling van Pre-Mervo dat er door de veranderde werkwijze (meer klanten, meer landen) hogere eisen aan de vaardigheden van haar werknemers worden gesteld kan haar evenmin baten. Deze stelling is slechts in algemene termen onderbouwd (er zijn bijvoorbeeld geen nieuwe functieomschrijvingen/competentieprofielen overgelegd), en voorts ligt het op haar weg om in dat geval te bezien of en op welke wijze [gedaagde] alsnog aan die vereisten zou kunnen voldoen. Eerst nadat gebleken is dat dit laatste niet haalbaar is en er evenmin andere passende functies voorhanden zijn, komt beëindiging van de arbeidsovereenkomst in zicht.

 

Beslissing kantonrechter

 

De kantonrechter wijst het verzoek af.


De hierboven weergegeven casus is een samenvatting, de volledige uitspraak is te vinden via de onderstaande link met rechtspraak.nl:  

 

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBMNE:2014:2097

 

 

Home

  

Wilt u meer weten over het bovenstaande onderwerp, of heeft u andere vragen aan Schölvinck-Incasso? Dan kunt u mij bereiken via 06-46 40 63 26, of gebruik het formulier hieronder om contact met mij op te nemen. U krijgt binnen 24 uur een reactie op uw e-mail.

Opmerking: De met * gemarkeerde velden zijn verplicht.